Golftermen op rij
De woordenlijst die dit domein sinds 2002 bijhield, nagelopen op de Regels van 2023. Vervallen termen staan er nog in, met de reden waarom je ze niet meer hoort.
3 notities in deze rubriek
Bijgewerkt op 6 september 2026.
-
GolftermenHandicap, course rating en slope
-
GolftermenDe scorekaart lezen
-
GolftermenWeetjes en watjes
108 termen op rij
De woordenlijst die op dit adres sinds 2002 stond, nagelopen op de Regels van Golf 2023. Termen die vervallen zijn, staan er nog in met de reden erbij.
- Adresseren van de bal
- De stand innemen voor het slaan van de bal. Je plaatst je voeten, zet je club neer en richt je op het doel. Zodra je dat gedaan hebt, heb je de bal geadresseerd. Kleine bewegingen daarna tellen meestal niet meer als adresseren.
- Afslagplaats
- De plek op een hole waar je de eerste slag doet. Hier begint de hole. Op de afslagplaats staan gekleurde merktekens. De kleuren geven aan welke afslagplaats bedoeld is voor heren en welke voor dames. Je moet afslaan tussen of vlak bij de merktekens.
- Albatros
- Een hole die in drie slagen onder par gespeeld wordt. Op een par 5 betekent dat een score van 2. Het is de zeldzaamste score in golf. Dezelfde score wordt ook wel een double eagle genoemd, maar albatros is de gebruikelijke naam in Nederland.
- Approach
- Een slag naar de green, of vanaf de fairway een slag naar de dichtstbijzijnde green. Je speelt een approach als je de green nog niet kunt raken met een putt. Meestal is het een korte tot middellange slag met een ijzer of een wedge, gericht op nauwkeurigheid.
- Baan
- Het gehele terrein waarop gespeeld mag worden. De baan omvat alles: de afslagplaatsen, de fairways, de greens, de bunkers en het overige terrein binnen de grenzen van de baan. Wat buiten die grenzen ligt, hoort er niet bij en is vaak uit.
- Back Nine
- De negen holes waarmee je terugspoelt naar het clubhuis, hole 10 t/m 18. Na negen holes sla je op de tiende afslagplaats af. Samen met de front nine vormt de back nine de volledige ronde van achttien holes.
- Back Spin
- Effect dat je bij een slag aan de bal meegeeft, waardoor hij bij het landen op de green de neiging heeft snel te stoppen of zelfs terug in jouw richting te rollen. Je maakt het met een schuine clubkop en een goede balcontact. Het helpt de bal op de green te houden.
- Bal in spel
- Zodra je vanaf de afslagplaats hebt geslagen, is je bal in spel. Hij blijft dat tot hij is uitgeholed, verloren is, buiten de baan terechtkomt of je hem hebt opgenomen, ook als hij daarna op dezelfde plek wordt teruggeplaatst.
- Bestbal
- Een partij waarin één speler speelt tegen de beste bal van twee of drie andere spelers. Die spelers spelen elk hun eigen bal, en alleen de beste score van hen telt per hole. De alleen spelende partij vergelijkt die score met de eigen score.
- Birdie
- Een score van één slag onder de par van de hole. Op een par 4 is dat een 3, op een par 3 een 2. Je haalt een birdie met een goede combinatie van afslag, tweede slag en putt. Het is een score om te vieren.
- Bogey
- Een score van één slag boven de par van de hole. Op een par 4 is dat een 5. Een bogey is geen ramp, het is de score van een nette hole met één kleine misser. Speel je alle holes met bogey, dan scoor je netto keurig rond par.
- Bunkers
- Uitgeholde gebieden op de fairway of rond de green, meestal gevuld met zand. Ze zijn aangelegd om het spel te verlevendigen en je te testen. In de bunker gelden bijzondere regels: je mag de grond niet testen en geen losse voorwerpen wegnemen voor je slag.
- Caddie
- Iemand die tijdens het spel voor jouw stokken zorgt of die meedraagt en je ook op andere wijze volgens de regels assisteert. Een caddie mag je advies geven en de baan wijzen, maar mag je slag niet uitvoeren. Jij blijft verantwoordelijk voor wat je caddie doet.
- Caddiemaster
- De baas van de caddies. Op clubs waar geen caddies meer werken, is het de naam voor de persoon die jou als (gast)speler ontvangt. Je kunt bij hem terecht met vragen over de baan, de starttijden en de stokken. Hij houdt de gang van zaken rond de baan in de gaten.
- Chip
- Een slag, meestal over een kortere afstand, waarbij de rol veel verder is dan de vlucht. De bal gaat kort door de lucht en rolt dan ver uit. Je speelt een chip rond de green met een korte beweging, waarbij je de bal laag houdt en het werk aan de rol overlaat.
- Chipping green
- Een oefenplek bij een golfclub waar je chips kunt oefenen op een echte green, in de meeste gevallen over een obstakel. Daarom ligt deze green meestal op zo’n 25 meter afstand. Je traint er de korte slagen die rond de green het verschil maken tussen een par en een bogey.
- Clubs
- Het instrumentarium waarmee je de bal over de baan voert. Een golftas bevat maximaal veertien clubs tijdens een ronde. Je kiest per slag de club met de juiste loft en lengte. Houten zijn voor afstand, ijzers voor nauwkeurigheid en putters voor op de green.
- Course Rating (CR)
- Een beoordeling van de moeilijkheidsgraad van een baan voor een speler met handicap 0, onder normale baan- en weersomstandigheden. De course rating wordt uitgedrukt in het aantal benodigde slagen, tot één decimaal nauwkeurig. Hij hangt af van de lengte van de baan en de hindernissen die de score kunnen beïnvloeden, en wordt apart berekend voor heren en dames en voor verschillende afslagen. De course rating zegt meer over een baan dan de par.
- Cut
- Een vooraf bepaalde score die het aantal spelers in een toernooi terugbrengt. De cut volgt meestal na de tweede dag. Alleen wie na twee rondes niet meer slagen nodig heeft dan de cutscore, speelt de volgende dag verder. De rest is uitgeschakeld en gaat naar huis.
- Dogleg
- Een hole die met een knik is aangelegd, links- of rechtsom. De fairway buigt dus op een gegeven moment af. Je kunt de knik knippen met een lange slag, of er veilig voor spelen met een kortere club. De naam komt van de vorm, die op de poot van een hond lijkt.
- Dormie
- Een stand in een matchplay-wedstrijd waarin de achterstaande speler alle resterende holes moet winnen om nog gelijk te eindigen. Staan er twee holes te spelen en ligt hij twee achter, dan is hij dormie. Verliest hij nog één hole, dan is de wedstrijd voorbij.
- Double Bogey
- Een score van twee slagen boven de par van de hole. Op een par 4 is dat een 6. Een double bogey kost je twee slagen ten opzichte van par en meestal is er op de hole iets flink misgegaan. Meerdere double bogeys in één ronde zijn moeilijk weg te werken.
- Double Eagle
- Een score van drie onder par op een hole. Op een par 5 betekent dat een 2. Dezelfde score staat ook bekend als albatros, en die naam gebruik je in Nederland vaker. Het gebeurt zelden: je hebt er een perfecte lange slag in de hole voor nodig.
- Draw
- Een bal die bewust met effect van rechts naar_links wordt gespeeld, uitgaande van een rechtshandige speler. Je gebruikt een draw bijvoorbeeld om een boom heen te spelen of extra rol te krijgen. De tegenhanger van de draw is de fade, die naar rechts draait.
- Driebal
- Een matchplay-wedstrijd waarin drie spelers tegen elkaar spelen, elk met hun eigen bal. De speler met de beste score op een hole wint die hole. Net als bij de tweebal telt alleen het holesverschil, niet het totaalaantal slagen. Elke speler speelt zijn eigen partij tegen de twee anderen.
- Drive
- De eerste slag op een hole, gespeeld vanaf de afslagplaats. Je slaat een drive meestal met de driver, omdat je op de tee de bal hoog kunt neerleggen en voluit kunt slaan. Een goede drive geeft je de kortere slag naar de green.
- Driver
- De grootste club die je in een golftas tegenkomt, met een loft van ongeveer 9 graden. Door de kleine loft en de grote kop sla je de bal het verst van alle clubs. Je gebruikt de driver bijna alleen op de afslagplaats, waar je de bal op een peg mag leggen.
- Droppen
- De bal opnieuw in het spel brengen door die vanaf schouderhoogte te laten vallen. Met een strafslag drop je bijvoorbeeld als je bal uit het water komt of bij onspeelbare ligging. In een aantal toegestane omstandigheden mag je ook zonder strafslag droppen, zoals bij afstand van de hole waar je bal in een wegstandaard rust.
- Eagle
- Een score van twee slagen onder de par van de hole. Op een par 4 betekent dat een 2, op een par 5 een 3. Je haalt een eagle met één uitzonderlijk goede slag in de hole, of met twee sterke slagen gevolgd door een putt. Het is een zeldzame en gevallen score.
- Eer, de
- De speler die als eerste af mag slaan heeft de eer. Op de eerste hole bepaalt de volgorde van de startlijst of de toss wie de eer heeft. Daarna heeft de speler met de beste score op de vorige hole de eer. Bij gelijke scores blijft de volgorde van de hole daarvoor gelden.
- Fade
- Een bal die bewust met effect naar rechts wordt gespeeld, uitgaande van een rechtshandige speler. Je kiest een fade als je de bal wilt laten landen en stoppen op een gekozen plek, of om een bocht in de hole te volgen. De tegenhanger van de fade is de draw, die naar links draait.
- Fairway
- Het deel van de baan tussen de afslagplaats en de green, meestal herkenbaar aan het kort gemaaide gras. Vanaf de fairway heb je een goede ligging en kun je de bal het best controleren. Naast de fairway ligt het ruwere gras, waar slaan lastiger is.
- Flop shot
- Een slag waarbij je de bal zo hoog mogelijk over een obstakel speelt, bijvoorbeeld een bunker tussen jou en de green. Je opent de clubkop ver en slaan de bal hoog en zacht omhoog, zodat hij naast de hole neerkomt en stopt. Vaak zit er backspin op de bal.
- Fore
- Deze roep je als je geslagen bal gevaar oplevert voor personen verderop op de baan. Roep luid en direct, want je waarschuwt dat er een bal aankomt. Hoor je fore, dan buk je of sla je je armen voor je hoofd. De herkomst van het woord is onzeker.
- Forecaddie
- Een hulp die door de commissie is aangewezen en voor de spelers uitloopt om aan te geven waar de bal terecht is gekomen. Hij staat dus niet bij jouw partij maar verderop op de baan. Een forecaddie versnelt het spel, omdat je niet hoeft te zoeken.
- Foursome
- Een partij waarin twee spelers spelen tegen twee andere spelers, en elke kant speelt met één bal. Je en je partner slaan dus om de beurt naar dezelfde bal. Eén speler slaat de oneven holes af, de andere de even holes, tenzij jullie anders afspreken bij het begin.
- Front Nine
- De holes die van het clubhuis afspelen, hole 1 t/m 9. Je begint je ronde op de front nine en speelt daarna de back nine terug naar het clubhuis. Samen vormen ze de achttien holes van een volledige ronde.
- Gapwedge
- Club met veel lof, gelegen tussen de sandwedge en de lobwedge. Je gebruikt hem voor korte slagen die hoog door de lucht moeten, zonder dat de bal ver doorrolt.
- Gimme
- Term uit de matchplay voor een bal die zo dicht bij de hole ligt dat je hem niet meer uitgehoold hoeft te worden. Of een bal echt een gimme is, beslist je tegenstander.
- Golfprofessional
- Iemand die golfen als beroep heeft, bijvoorbeeld als golfleraar of als speler die er zijn inkomen mee verdient.
- Green
- Het deel van de hole waar het gras tot op een paar millimeter is gemaaid. Hier staat de hole, aangegeven met een vlag. Je haalt de vlag eruit voordat je de hole uitspeelt.
- Green fee
- Het bedrag dat een club vraagt aan spelers die geen lid zijn maar de baan wel willen gebruiken.
- Greenkeeper
- De persoon die de golfbaan onderhoudt: het gras, de bunkers, de greens en de overige aanleg.
- GVBvervallen term
- Het Golf Vaardigheids Bewijs was vroeger vereist voordat je in Nederland op de meeste banen mocht spelen. Dit bewijs bestaat niet meer als zodanig. Het is opgegaan in het regelexamen waarmee je handicap 54 haalt.
- Halved
- Term uit de matchplay voor een hole die beide spelers met dezelfde score spelen. De hole wordt gedeeld en niemand wint hem.
- Handicap
- Het getal dat het niveau van een amateurspeler uitdrukt. Speel je met handicap 10, dan mag je tien slagen meer doen dan de par van de baan. Lage handicap betekent sterk spel. Zo kunnen spelers van verschillend niveau toch een eerlijke wedstrijd spelen.
- Hindernisvervallen term
- Deze oude uitleg noemde bunkers of waterpartijen op de baan. Zo geldt dat niet meer. De Regels gebruiken het woord hindernis nu voor de gele en rode gebieden, en een bunker is een apart gebied van de baan.
- Hoe werkt het?
- Aan elke speler wordt een handicap toegekend in verhouding tot zijn niveau. Je trekt die af van je bruto score, het werkelijke aantal slagen. Wat overblijft is de netto score, en die vergelijk je met de par. Speel je onder par, dan daalt je handicap.
- Hole
- Het gat in de green waarin je de bal uiteindelijk moet putten. De hole heeft een doorsnede van 4,25 inches, circa 108 mm, en een minimale diepte van 4 inches, circa 100 mm.
- Hole uitgespeeld
- Zodra je de bal in de hole hebt geslagen, is de hole uitgespeeld. Er mag dan niet meer in de hole worden gespeeld.
- Hole-in-one
- Een bal die in één slag vanaf de afslagplaats rechtstreeks in de hole belandt.
- Hook
- Een bal die na de slag onbedoeld naar links afwijkt, bedoeld voor een rechtshandige speler.
- Houten
- Stokken voor de lange slagen. De kop was vroeger van hout gemaakt, vandaar de naam. Tegenwoordig zijn de koppen meestal van metaal, maar de naam is gebleven.
- IJzers
- Stokken waarvan het clubblad van metaal is. Je gebruikt ze voor de meeste slagen van de fairway en voor de kortere slagen naar de green.
- In
- De tweede negen holes, holes 10 tot en met 18, op een baan met achttien holes.
- In regulation
- Je speelt de green in regulation als de bal met één slag op de green ligt bij een par 3, in twee slagen bij een par 4 en in drie slagen bij een par 5.
- Invitational
- Een toernooi zonder open inschrijving. Je kunt alleen meedoen als je daarvoor een uitnodiging hebt gekregen.
- Kanten
- Spelers die als team samenspelen en dus elkaars partner zijn.
- Lateraal watervervallen term
- De oude naam voor een waterhindernis die met de speelrichting meeloopt en met rode paaltjes was gemarkeerd. Sinds de herziening van de Regels bestaat de waterhindernis niet meer. Er is nu een hindernis, geel of rood, en dat begrip is breder dan water.
- Lie
- De hoek die het clubblad maakt ten opzichte van de hiel van de club. Deze hoek bepaalt mede of het blad vlak op de grond ligt tijdens de slag.
- Links
- Meestal een golfbaan gelegen aan zee, waar de wind een dominante factor in het spel is.
- Lobwedge
- De club met de hoogste lof. Je gebruikt hem om de bal over een korte afstand heel hoog te spelen, zodat hij snel stopt.
- Loft
- Het aantal graden dat het clubblad gedraaid is ten opzichte van het midden van de schacht. Meer lof betekent dat de bal hoger en korter vliegt.
- Marker
- Degene die je score bijhoudt. Bij strokeplay is dat meestal een medespeler, bij matchplay de tegenstander.
- Matchplay
- Spelvorm waarbij twee spelers of duo’s hole per hole tegen elkaar spelen. Wie het minste slagen op een hole nodig heeft, wint die hole. Winst met één hole voorsprong heet one up, gelijke stand heet all square. Is de voorsprong groter dan het aantal resterende holes, dan is de wedstrijd afgelopen. Met twee tegen twee speel je fourball, met elk een eigen bal, of foursomes, met één bal om beurten.
- Merker
- Een klein plat schijfje dat de plaats aangeeft waar je de bal teruglegt nadat je hem heeft opgepakt.
- Metal woods
- Stokken voor de lange slagen, hetzelfde als de houten, maar de kop is van metaal gemaakt.
- Mulligan
- De eerste slag vanaf de eerste afslagplaats, die niet meetelt voor de score. Dit is niet officieel en hoort niet in een wedstrijd thuis.
- O.B.: Afkorting
- Afkorting voor Out of Bounds, een stuk grond dat geen onderdeel van de baan uitmaakt en met witte paaltjes is gemarkeerd. De oude tekst hier zei dat je twee strafslagen kreeg als je out of bounds sloeg. Dat is fout. Het is slag en afstand: één strafslag, en je speelt opnieuw vanaf de plek van je vorige slag.
- Obstakels
- Kunstmatige constructies in de baan die het spel bemoeilijken, zoals paden, palen en hekken.
- Oefenswing
- Een proefswing die je maakt voordat je je stand inneemt om de bal te slaan. De bal word er niet mee geraakt.
- Opteeën
- De bal op de afslagplaats op een opzetter zetten, zodat hij bij de slag vrij van de grond ligt.
- Opzetter
- Een houten of kunststof pinnetje dat je op de afslagplaats in de grond steekt om de bal op te zetten.
- Out
- De eerste negen holes van een baan met achttien holes.
- Outside agency
- Elk voorwerp of levend wezen dat geen onderdeel uitmaakt van de baan of de wedstrijd.
- Par
- Het aantal slagen dat een zeer goede speler, een 0-handicapper, nodig heeft om een hole of een hele baan uit te spelen. Het betekent spelen zonder fouten onder normale baan- en weersomstandigheden, waarbij twee slagen mogen worden gebruikt op de green. De par van een hole hangt af van lengte en moeilijkheid en staat op de scorecard.
- Pitch
- Een slag, meestal over een kortere afstand, waarbij ongeveer eenderde van de afstand wordt afgelegd door de rol en tweederde door de vlucht. Je gebruikt deze slag om de bal hoog en zacht op de green te laten neerkomen, bijvoorbeeld vanaf net buiten de green of vanuit de voorgreen.
- Pitchfork
- Een klein stuk gereedschap waarmee je een pitchmark op de green kunt herstellen. Je steekt de tanden rond het putje in de grasmat en duwt het gras voorzichtig naar het midden. Daarna druk je de plek glad. Bewaar hem in je broekzak, dan heb je hem altijd bij de hand.
- Pitchmark
- Het putje dat een bal achterlaat op de green wanneer hij na een slag neerkomt. Een pitchmark herstel je meteen met een pitchfork, zodat het putje de baan niet beschadigt en andere spelers geen last hebben van een oneerlijke ligging op de green.
- Pro
- Synoniem voor golfleraar. Het woord duidt ook personen aan die hun geld verdienen met de actieve golfsport, bijvoorbeeld door les te geven, te spelen in toernooien of te werken in een golfwinkel. Als ergens een pro zit, kun je er meestal terecht voor lessen en voor advies over je materiaal.
- Provisionele bal
- Een bal die je uit voorzorg slaat wanneer het onduidelijk is of de origineel geslagen bal nog vindbaar is, bijvoorbeeld als hij mogelijk in het bos of buiten de baan is. Speel de originele bal terug zodra die wordt gevonden; anders ga je door met de provisionele bal, met slag en afstand.
- Punch shot
- Een laag schot om onder obstakels door te vliegen. Je gebruikt dit schot vaak als je bal in het bos ligt en de bomen een normaal schot blokkeren. Je houdt de bal laag, met een verkorte achterzwaai en de handen voor de bal, zodat hij onder de takken door rolt.
- Putt
- De slag vanaf, meestal, de green naar de hole. Bij het putten laat je de bal rollen in plaats van vliegen. Je voert de slag uit met de putter, een club met een vlak slagvlak. Een goede put beslist vaak het verschil tussen een goede en een teleurstellende score.
- Putter
- De club die je gebruikt bij het putten van de bal. Het slagvlak is vrijwel vlak, zodat de bal zuiver rolt. Putters bestaan in allerlei vormen en lengtes; kies een model waarbij je je ogen rustig boven de bal kunt houden en waarmee je de lijn goed kunt lezen.
- Qualifying
- Aanduiding die aangeeft of deelnemers in een wedstrijd of toernooi hun handicap kunnen verlagen. Bij een qualifying wedstrijd telt je score mee voor je handicap; bij een niet-qualifying ronde is dat niet het geval. Controleer vooraf op de startlijst of de ronde telt, dan weet je waar je aan toe bent.
- Rough
- Het deel van de baan met lang gras dat grenst aan de fairways, greens, bunkers of afslagplaatsen, alsmede alle natuurlijke zones die de hole omringen, waaronder struiken en bomen. In de rough is de bal minder makkelijk te raken. Speel uit lang gras vaak voorzichtig en neem een loftrijke club.
- Sand Wedge
- Een club met een grote loft en een speciale bouw om de bal uit een bunker te slaan. De brede zool gleedt door het zand in plaats van zich erin te boren. Je slaat eigenlijk niet de bal maar het zand erachter, zodat de bal op een wolkje van zand meekomt.
- Shank
- Het overgangsgebied tussen slagvlak en hosel. Raak je de bal daar, dan vliegt hij extreem naar rechts en blijft hij heel laag. Het wordt ook wel socketing of hoseling genoemd en is de nachtmerrie van elke golfer. Meestal ligt de oorzaak in je swingpad, niet in je materiaal.
- Single
- Een partij waarbij één speler tegen één andere speler speelt, zonder partners. In een single bepaal je zelf je tempo en je strategie. Let in een single wedstrijd op de volgorde van spelen: wie het verst van de hole ligt, speelt meestal als eerste.
- Slice
- Een bal die onbedoeld naar rechts afwijkt, met een curve. De bal krijgt sidespin mee van een swingpad van buiten naar binnen. Meestal is de oorzaak een greep die te ver naar links draait of een open clubblad. Oefen met een geslotener swingpad en controleer je greep voordat je aan je baan denkt.
- Slope rating (SR)
- Een beoordeling van de relatieve moeilijkheid van een baan voor een hogere handicapper ten opzichte van een 0-handicapper, gemeten tegen de course rating. De laagste slope rating is 55 en de hoogste 155; een baan van gemiddelde moeilijkheid heeft 113. Hoe hoger de slope rating, des te meer slagen je van je totale score mag aftrekken.
- Snap Hook
- Aanduiding voor een extreme hook, een bal die scherp en hard naar links draait. Bij een snap hook is de curve zo heftig dat de bal nauwelijks rechtuit vliegt. De oorzaak ligt meestal in een sterk gesloten clubblad bij impact, vaak samen met een swingpad van binnen naar buiten. Controleer eerst je greep.
- Stableford telling
- Een telling waarbij je punten krijgt in verhouding tot een voor elke hole vastgestelde score. Die score hangt af van je playing handicap en de stroke index van de hole. Meer dan één slag boven de vastgestelde score geeft nul punten, één slag erboven één punt, en zo verder. Tot vier slagen eronder krijg je zes punten.
- Starttijd
- Het tijdstip waarop een speler aan zijn ronde kan beginnen. Je starttijd staat op de startlijst van de wedstrijd of dag. Wees ruim op tijd aanwezig: te laat op de afslagplaats kan je een straf opleveren of zelfs diskwalificatie. Controleer de avond tevoren nog even je starttijd.
- Stroke index
- De stroke index geeft de moeilijkheidsgraad van een hole aan. Op een achttien holes baan is de hole met stroke index 1 de moeilijkste en de hole met stroke index 18 de makkelijkste. De stroke index wordt gebruikt bij het berekenen van het netto aantal slagen bij Stableford, en bepaalt op welke holes je slagvergoeding krijgt.
- Stroke play
- Een wedstrijd waarbij het totaal aantal slagen tijdens de ronde bepaalt wie de winnaar is. De speler met het minst aantal slagen wint. Dit in tegenstelling tot match play, waar het aantal gewonnen holes telt. Noteer elke slag, ook de misslagen en strafslagen, en tel na de ronde je scorekaart na.
- Swing
- De beweging die je maakt om de golfbal te slaan. De swing bestaat uit drie delen: de backswing, het naar achter halen van de club; de downswing, het naar beneden brengen en raken van de bal; en de doorzwaai, het deel na de treffing. Volgens de regels is een slag gemaakt zodra de downswing is ingezet, dus ook een misslag telt.
- Tap-in
- Het van dichtbij intikken van de bal in de hole, meestal nadat een putt net naast of voorbij de hole is geëindigd. Vaak slaan spelers een tap-in haastig over. Neem even de tijd, stel jezelf stil op en hole de bal uit: elke korte putt telt net zo zwaar mee als een lange drive.
- Tee
- Een pin van kunststof of hout die je in de grond steekt en waarop je de bal plaatst bij de afslag. Het woord tee duidt ook de afslagplaats zelf aan. Vroeger werd met tee een hoopje zand bedoeld waarop de bal bij de afslag werd gelegd, voordat de moderne tee bestond.
- The yips
- Term voor het verschijnsel waarbij je als gevolg van de angst om te missen moeite hebt de bal in de hole te putten. De yips worden gekenmerkt door een trillend gevoel in de handen wanneer de bal geput moet worden. Veel spelers zoeken hun heil in een andere greep, een langere putter of een ander puttingritme.
- Thin shot
- Een slag waarbij je de bal met de club boven de middenlijn raakt, wat meestal een lage balvlucht geeft. De bal vlieft harder en verder weg dan bedoeld, maar rolt ook veel door. Een thin shot ontstaat vaak wanneer je tijdens de downswing omhoog komt. Houd je handen voor de bal bij impact.
- Tijdelijk water
- Water in de baan dat geen expres aangelegde hindernis is, meestal het gevolg van overvloedige regenval. Ligt je bal in tijdelijk water, dan mag je de bal opnemen en droppen op het punt, zonder strafslag. Beoordeel eerst of er inderdaad sprake is van tijdelijk water rond je bal en je schoenen.
- Topped
- Een slag waarbij je de bal op de bovenkant raakt. Het gevolg is een bal die amper van de grond komt en een stukje vooruit rolt. Een topped shot ontstaat meestal doordat je tijdens de slag omhoog beweegt of de bal te ver naar voren in je stand hebt liggen. Houd je hoofd stil en raak eerst de bal.
- Triple Bogey
- Een score van drie slagen boven de par van de hole. Op een par 4 betekent dat een 7. Noteer gewoon eerlijk wat er gebeurde en pak de volgende hole weer op met een frisse planning. Eén triple bogey is met Stableford tellen meestal nog geen ramp, maar in stroke play kost hij je drie slagen.
- Uitputten
- De bal in de hole putten; het wordt ook uitholen genoemd. Je ronde of hole is pas klaar wanneer de bal is uitgeput. Schep daarna meteen je bal uit de hole, zodat de volgende speler er geen hinder van ondervindt. Til de bal eruit, gooi hem nooit hardhandig naast de green.
- Uw handicap
- Je handicap geeft aan hoeveel slagen je volgens verwachting meer nodig hebt dan een zeer goede speler. Na regelmatig oefenen en je eerste wedstrijden wordt het een belangrijk gegeven. Je bent zelf verantwoordelijk voor je handicap, dus controleer hem regelmatig bij de club waar je bent aangesloten.
- Voorgreen
- Het gedeelte van de baan tussen fairway en green, vaak met iets langer gras dan de green zelf en meestal kort gemaaid. Hier kun je een pitch of een chip kiezen, afhankelijk van de vlaggenpositie. Let op: een bal die op de voorgreen blijft liggen vraagt een andere aanpak dan een putt van de green.
- Waterhindernissenvervallen term
- De oude tekst noemde meren, vijvers, sloten en rivieren, strategisch gebruikt om het landschap en het spel aantrekkelijk te maken. Deze term is vervallen: sinds de herziening van de Regels spreken ze niet meer van een waterhindernis maar van een hindernis, geel of rood, en dat begrip is breder dan water alleen.